ik weet het even niet

Hoe vaak denken we dit of spreken het ook uit? Hier dacht ik aan tijdens een interessante uiteenzetting over de hersenwerking van de dementerende ouderen en de consequenties door en voor de omgeving. Het BreinCollectief verzorgde een zeer boeiende lezing over de werking van de hersenen, de gevolgen van dementie voor de werking van de hersenen en zintuigelijke waarnemingen. Met name de invloed die de leefomgeving heeft op de dementerende medemens moet ons als architect tot nadenken aanzetten. Bij het ontwerpen van huisvesting voor dementerende ouderen moeten we voor onszelf bijzondere spelregels in acht nemen en ons verplaatsen de belevingswereld van de dementerende bewoner. Het voorkomen van te veel prikkels, maar ook weer niet geheel prikkelarm en versuffend vormgeven.

Veel demente ouderen zien slecht en voelen zich onbewust niet prettig in ”afgelikte” interieurs met weinig contract en spiegelingen. Maar  te veel contrast in de vloer kan weer ervaren worden als een moeilijk te nemen drempel. Een voorbeeld dat aangeeft dat elke ontwerpkeuze door een specifieke bril moet worden bezien.  Primair moet de omgeving de bewoner zich thuis laten voelen, rust en geborgenheid geven. En geen stress opleveren die een ongewenste invloed heeft op het gedrag.

Dit principe vormt de basis voor het ontwerp van de huisvesting. In gedachte houdend dat veel bewoners niet of nauwelijks buiten deze omgeving komen, moet de huisvesting dienen als sturingsmiddel voor gedrag. In de positieve zin moet de ontworpen omgeving met de juiste dosering prikkelend zijn. Creëer plekken die de bewoners herinneren aan iets, hen een vertrouwd gevoel geven en ook aanzetten tot activiteit. Bijvoorbeeld een hoek ingericht als tuinkas - of orangerie – met planten die water gegeven kunnen worden. Of een hoek met was-rekjes en wasmand met wasgoed. Een ruimte met de sfeer van een kerk, zonder meteen een kerk uit te beelden. Kortom, appelleren aan dat stuk geheugen waarvan de kans het grootste is dat het er nog is. Bij veel dementerenden blijven de beelden bestaan die ze opgebouwd hebben tot een jaar of 20 tot 25.

In die lijn doordenkend: de inrichtingen die wij nu als oubollig bestempelen zijn voor de dementerende bewoners juist prettig en herkenbaar. Als architect moeten we misschien eerder afleren om te veel te willen vormgeven. Daarbij ook heel erg doordenkend: welke beelden en gevoelens roepen iets op? Als voorbeeld: een mooie fotowand met een bomenlaan kan bij in hoge nood zijnde mannelijke bewoners een in onze ogen ongewenst gedrag oproepen….

Tot slot: als ik me na hopelijk vele jaren ook tot deze bewoners mag rekenen, voel ik me dan prettig bij een oubollig interieur of is juist een strak design plekje voor mij en mijn leeftijds- of “soort” genoten prettig? Ik weet het even niet, maar door dat bij mezelf te constateren dwingt het mij om goed over ontwerpbeslissingen na te denken.

 

Wouter van Wijnen, architect

[/mp_span] [/mp_row]